22-10-10

Luitenant Jean Coppens

Luitenant Jean Coppens

 

Dat was de naam van de kazerne waar ik mijn legerdienst heb volbracht.   Bij de 18de Rijdende Artillerie.

 

Kanonnen.

 

Lawaaierig spul, daar wordt een mens hardhorig van.

 

Wablieft?

 

HARDHORIG!

 

 

Kanonnenvlees, dus...

 

 

*****

 

 

Alle vooroordelen over het Belgisch Leger zijn waar.  Daarvan ben ik een bevoorrecht getuige geweest.  10 maanden lang.

 

Opleiding in Turnhout, dan naar Brasschaat.

 

 

abl1.jpg

 

In stemmig kaki, vooraan links, uw dienaar (maar toen dienaar van Boudewijn 1, Koning der Belgen).  Inderdaad, met sigaret, maar dat was enkel om de foto een toets David Lynch mee te geven....

 

 

*****

 

 

Omdat ik met enige vorm van vrucht studies had weten af te ronden, dachten ze dat het een goed idee was om mij op het schootsbureel te plaatsen.  Om uit te rekenen waar de kanonnen moesten vuren, en vooral ....

 

.....waar niet.

 

Nu was ik al een jaar of 24, en de tijd dat ik soldaatje wou spelen lag al geruime tijd achter mij.  Ik liet dat dan ook blijken. 

 

Dikwijls corvee keuken voor gehad. 

 

Patatten jassen. 

 

Patatten jassen verliep weliswaar al in enige mate gemechaniseerd.  De patatten werden in een groot apparaat gekieperd, waar ze werden afgeschuurd, nadien moest je dan nog enkel de ogen manueel pitten. 

 

Vooraleer je de patatten in het apparaat deed, moest je wel keihard met je soldatenlaars tegen het apparaat stampen.  Dan hoorde je inwendig een geluid alsof er honderden stukjes grind vielen. 

 

Dat, beste vrienden, waren de neerstortende kakkerlakken.

 

Dan was het zaak om bliksemsnel het apparaat op te zetten en zo kreeg je eerst een overheerlijke 'mousse de kakkerlak'. 

 

Vervolgens het apparaat uitspoelen, patatten erin en aan het werk. 

 

Hygiëne blijft belangrijk.

 

Toch?

 

 

*****

 

Soldaatje spelen.

 

Ik gooide op manoeuvre ooit het klokhuis van een appel uit de vrachtwagen in de heide.  Ik kreeg van een luitenant een uitbrander dat ik de natuur vervuilde. 

 

Waarop ik vragend om mij heen keek en de luitenant een veertigtal rook en roet uitbrakende vrachtwagens aanwees en zei:

 

"Dat, luitenant, is vervuiling...

 

....een klokhuis, luitenant, is de natuur." 

 

Corvee keuken.

 

Assertief zijn is niet altijd een goed idee...

 

*****

 

 

Soldaatje spelen.

 

Tijdens manoeuvres moesten wij ten alle tijde paraat zijn. 

 

De vijand kon ons wel eens onverhoeds overvallen.

 

De stouterikken!

 

Omdat de Rus niet in de buurt was, den Duits het beu was, moest de vijand gespeeld worden door eigen personeel, voor de gelegenheid en ter visueel onderscheid gestoken in blauwe overalls.  We gaan mekaar toch niet per ongeluk overhoop schieten zeker.

 

Om één en ander toch wat veilig te laten verlopen, en het gemiddelde intellect van de soldaat-milicien indachtig, werd er geschoten met losse flodders. 

 

Enerzijds jammer, maar goed.

 

Ik deelde mijn losse flodders altijd met gulle hand uit.  Neen, niet aan onschuldige kinderen in de dorpen, maar aan mijn collega-soldaatjes met een iets hoger Rambo-gehalte. 

 

Ik stopte daarop een stuk doek in de loop van mijn geweer, dat onaangeroerd bleef en uiteraard bleef blinken als een spiegel.  De andere Rambo's knalden er een paar duizend patronen door tijdens de diverse aanvallen. 

Eens in de kazerne, haalde ik het vodje uit de loop, blies eens door de loop en kon op mijn bed neerploffen,  vakbladen lezend, terwijl de diverse Rambo's urenlang zaten te poetsen en schrobben. 

 

Oorlog, het moet gezegd, dat valt allemaal niet mee!

 

Toch één keer een probleem gehad met het feit dat ik mijn ammo uitgedeeld had.  Het manoeuvre was nauwelijks een uurtje oud, of de vijand was er al. 

 

Dat is ook weer zo typisch!

 

Dan ben je nog niet helemaal georganiseerd, of ze zijn er al. 

 

Vervelende mensen, die vijand.

 

Ik stond er zonder munitie.  Reeds uitgedeeld. 

 

Vlak bij mij een ijzervreter van een majoor. 

 

"Vuren, soldaat !" snauwde hij me toe.

 

"Ik heb geen munitie meer, majoor !" antwoordde ik.

 

"Roep dan PANG", repliceerde hij.

 

Daarvoor voelde ik me toch net iets te oud, maar 'befehl ist befehl', zeker als hij je strak blijft aankijken.

 

Ik wist dat de enige manier om de rest van mijn militaire carrière niet als risee te worden beschouwd, in een spectaculair optreden van mijn kant zat.

 

Ik vloog uit de dekking, als een idioot "PANG, PANG" en "RETTEKETET" brullend, inmiddels ook virtuele handgranaten wegslingerend.

 

BANG, KABOEM, FWIIEEEET.

 

 

De vijand werd er zelf stil van.

 

Van zoveel gedrevenheid, bedoel ik.

 

Maar zoals altijd liet ik mij te veel meeslepen.

 

Ik haal mijn aansteker boven (ik rookte toen nog), steek hem aan en brul:

 

 

"VLAMMENWERPER !"

 

 

Waarop de vijand collectief in de lach schiet.

 

De majoor niet. 

 

Corvee keuken.

 

 

*****

 

 

abl2.jpg

 

 

Jong, onbezorgd.  Een oorlog winnen met deze heerschappen is een utopische gedachte.  Uw dienaar centraal vooraan, de pet weer maar eens verloren gelegd.

 

 

*****

 

 

Het schootsbureel dus. 

 

Daar moesten wij berekenen hoe de kanonnen moesten ingesteld worden en met welke lading ze moesten vuren om het doel te raken. 

 

Of toch in de buurt er van. 

Bijna. 

Ongeveer. 

Bij benadering.

 

 

Afrondingen waren uit den boze. 

 

Het moest correct zijn. 

 

Of toch in de buurt er van. 

Bijna. 

Ongeveer.

Bij benadering.

 

U ziet maar.

 

 

Ik was doorgaans Recce.  Verkenner.

Ik was dus meestal al op weg om de volgende stelling te verkennen. 

 

Met pak en zak; moest ik op een landmijn stappen, dan regende het drie dagen lang materiaal.

 

Ik beschrijf even wat ik allemaal mee moest zeulen qua materiaal. 

 

Ten eerste mijn lichaam. 

In stemmig kaki.  

Daarop een helm. 

En een gasmasker in foedraal.

 

Aan mijn riem: een schop, een poncho (regenjas), twee munitiehouders, een grondzeil (soort deken in een koker - god weet waarom), een kompas, een zaklamp.

Een verrekijker.

Dan had ik een houten kist onder mijn rechterarm, met daarin een parallax (soort meetinstrument).  Die kist was ongeveer 7 cm dik en 60 op 60 cm.  Onhandig als de pest qua formaat. 

Dan een houten lat van 2 meter. 

En tenslotte mijn wapen, een FAL, 4,3 kg zwaar en lomp.

De FAL hing op de schouder, de parallax onder de rechterarm en in de linkerhand de houten stok van 2 m.

 

En zo moest ik achterop een motor meerijden. 

 

Telt u even met mij mee hoeveel vrije handen ik had om me vast te klampen aan de motard?

Inderdaad.

Nul.

 

*****

 

 

Nu was de motard in het leger geselecteerd op basis van twee capaciteiten:

 

  1. motorcrosser zijn van enig niveau,
  2. hartstikke gestoord zijn.

 

Mijn vaste motard scoorde vooral op punt 2   uitzonderlijk  goed.

Hij had een soort grijns op de bek, waarbij een mens zich afvroeg wat er zich zoal onder zijn hersenpan afspeelde. 

 

Niet veel, zo bleek. 

 

Hoogstens wat gegalm van spijsvertering.

 

 

Hij had tevens een merkwaardige voorliefde voor plassen. 

Dat had een reden: hij had een plastic beschermpak aan, ik niet. 

Een geslaagde dag voor hem was, wanneer ik kletsnat was en/of onder de modder zat,  dat we minimum een bijna-aanrijding of vier, een bijna-doodervaring of zes en een paar slippers hadden gehad en een keer of 6 met beide wielen van de grond waren geweest.

 

Een keer vlogen we volle snelheid door een weide vol halfhoog gras.  Eens we gestopt waren (en ik mijn ingewanden had uitgekotst), vroeg ik hem wat hem in godsnaam bezielde.

 

"Hoe kun je nu weten of er nergens een greppel in het gras zit ?", vroeg ik hem.

 

"Dat kun je niet weten, cool hé", was zijn antwoord.

 

Ik kijk hem aan, met een niet-begrijpende blik in de ogen.

 

"Als je het weet, dan is het te laat, dan vlieg je al overkop, cool hé", vervolgde hij laconiek.

 

Mijn engelbewaarder dacht er ook het zijne van.

Toch zijn we nooit gevallen...

 

 

En nu wil u natuurlijk weten waarom ik al die bazaar mee moest slepen.

 

Ik schets het even.  Ik ga op het centrale punt staan van de stelling, waar het centrale kanon komt te staan.  Elk kanon staat op een afstand van het centrale stuk.  Die afstand moeten wij weten, opdat elk kanon zijn gegevens aangepast worden ten opzichte van dat centrale kanon om zo vanop hun specifieke positie ook op het doel te kunnen schieten. 

Elk kanon stuurt een mannetje naar mij, ik geef de stok van 2 meter aan het mannetje, die sjokt terug naar zijn kanon.  Ik kijk door mijn verrekijker (met schaalverdeling) naar de opgestoken stok en kan zo de afstand meten.  Op mijn parallax (ronde schijf) kan ik zien welke hoek een kanon staat t.o.v. het centrale kanon, hoek en afstand, snapt u.

 

Nu gooiden we daar altijd feestelijk met de klak naar. 

 

We vuurden toch in 99% van de gevallen virtueel, dus het kon me werkelijk aan mijn reet roesten waar die kanonnen stonden. 

Dus ik gaf mijn stok nooit af. 

Stel dat ze die niet terug brengen. 

Ik zei dat ze de armen moesten spreiden, het scheelde nauwelijks een koe.

 

 

En in het donker, vraagt u?  Hoe deed je het dan?

Wel in theorie moest ik mijn zaklamp meegeven voor aan de ene kant van de stok, terwijl de soldaat van dienst van het op te meten kanon zijn zaklamp aan de andere kant hing. 

 

Lukte nooit! 

Maar dan ook nooit! 

Geen batterijen! 

 

Ook wel geen goesting.

Vooral geen goesting. 

Te complex, we gokken er wel naar.

 

 

Hoe verliep de communicatie met de kanonnen?

 

Er werd vanuit het schootsbureel een telefoondraad getrokken naar het centrale stuk (shit, ik gebruik al de legerterminologie, kanon dus).  De andere kanonnen trokken een draad naar dat centrale kanon.  Zo was de communicatie verzekerd.

 

Ja, mijn oor.

 

Dat centrale kanon stond soms op meer dan tweehonderd meter.  Je bent een draad aan het trekken en plots wordt met een snok de draad uit je handen gerukt.  Meestal is er dan een pantservoertuig over de draad gereden en heeft die de draad meegepakt tussen de rupsbanden.  Dan kan je terug naar het schootsbureel, waar ze meestal al met een bijl de draad hebben gekapt, want anders gaat onze volledige spoel mee.

 

En opnieuw beginnen.

 

Ooit zei een majoor me dat ik de draad moest ingraven in de zandweg die ik moest kruisen.  Maar dan ingraven  VOORALEER ik verder liep.

 

Ik dacht nog: die vent is met mijn kloten aan het spelen.

 

Ik zei: "Hoe geraak ik dan verder met de draad".

 

Hij begreep me niet.

 

"Als ik hier de draad ingraaf, hoe kan ik die draad daarna dan verder trekken?"

 

Hij begreep me.

 

Oen.

 

*****

 

 

Onze communicatie verliep ook via radio's.  Met de waarnemers.  Zij riepen doelen door en correcties op het vuur.

Als de luitenant weg was, amuseerden wij ons wel eens met die radio's, met het doorgeven van rare boodschappen in onbestaande code, waar geen hond ook maar iets van begreep. 

 

Leuk!

 

Ook een succesnummer was spreken door de micro, terwijl je met een plastic zak over de microfoon wrijft.  Aan de andere kant kun je geen blaas verstaan van wat er gezegd wordt door het knetteren van de zak, wat érg doet denken aan storingen...

 

 

*****

 

 

Toch vuurden wij op gezette tijden ook wel eens echt.  En omdat we ons dan geen flaters konden permitteren, werd alles nauwgezet volgens het boekje gedaan.

Gevolg: het duurde en bleef duren vooraleer we vuurklaar waren. 

De vijand werd er zelf ongeduldig van. 

Bij wijze van spreken dan.

 

 

*****

 

 

Elsenborn!

 

We stonden met ons schootsbureel op een 80-tal meter van de kanonnen.  Bij echt vuur stonden ze op één rij.  In vredestijd werd als schootsbureel een vrachtwagen met shelter gebruikt, in oorlogstijd is dat een zwaar pantservoertuig. 

 

Zomerweer, raampjes open van de shelter.

 

Papieren met berekeningen overal om ons heen, ook op een rek boven onze hoofden.

 

Eerste salvo met een 16-tal houwitsers M109-A2, 155 mm en de luchtverplaatsing doet alle papieren om ons heen feestelijk naar beneden dwarrelen. 

 

Chaos!

 

Op de radio's moest strikte discipline heersen.  Op een dag waren wij aan het vuren (écht vuur), toen plots de hel losbarstte op de radio's.

 

"Godvermiljaar, wij krijgen vuur op ons." 

 

Een gehuil en getier dat het niet mooi meer was.

 

Wij kijken bleekjes naar Van De Casteele.  Hebben we een regiment para's gedecimeerd?

 

"Niks aan de hand, heren", antwoordde hij, "moest het van ons zijn, dan konden ze het niet navertellen." 

 

Het bleken mortieren te zijn.

 

 

*****

 

 

In de verveling tussen de verschillende salvo's door, vroeg ik aan luitenant Van de Casteele waarom onze kazerne de naam luitenant Jean Coppens droeg.

 

Ontroerd door zoveel interesse begon hij bevlogen het verhaal van Coppens te vertellen.  Coppens was voorwaartse waarnemer ten tijde van de oorlog van Korea, waar de Belgen ook met artillerie aanwezig waren.  Coppens zat dus vlak bij de vijand en gaf per radio doelen door die moesten beschoten worden.

 

Op een bepaald moment wordt de post van Coppens bestormd door Chinezen en heeft hij opdracht gegeven zijn eigen post te beschieten. 

 

Een held dus.

 

Ik heb een slecht karakter (mijn vrouw staat heftig te knikken op de achtergrond). 

 

Ik geloofde geen bal van dit verhaal.  En ik had daar een paar goede argumenten voor:

 

Als we Coppens willen wegblazen met onze artillerie is de kans dat hij het overleeft ongeveer gelijk aan 100 %. 

 

We raken die nooit ! 

 

Toch niet het eerste half uur, en ik vrees dat de Chinezen niet het geduld zouden kunnen opbrengen om te wachten tot we eindelijk iets zouden raken.

 

Wat er volgens mij is gebeurd, is het volgende.

 

Coppens zit gewoon zijn werk te doen. 

 

Wij ook. 

 

Maar plots dwarrelt er een papiertje met coördinaten op ons bureautje. 

 

VUUR!

 

En dan wordt het plots héél stil bij Coppens.

 

Oeps, foutje.

 

We pakken het in als een mooi verhaal en onze blunder levert een held op.  Iedereen blij.

 

Luitenant Van De Casteele keek me daarop met een rare blik aan.

 

 

*****

 

 

Dat mijn versie niet waar is, dat kan ik met gemak getuigen. 

 

Ik heb ze uiteindelijk zelf verzonnen. 

 

Maar ook de versie van Van De Casteele klopt niet.

 

Internet is toch handig.

 

Ja, Coppens is gesneuveld als een held in Korea in gevecht met Chinezen.  Zijn stelling werd overrompeld, de Chinezen zaten, volgens het laatste contact, in de loopgraven.  's Anderendaags werd het dode lichaam van Coppens gevonden, de infanterieschop in de hand.  Niets artillerie.

 

 

Nu ja, godzijdank heb ik nooit met dat stelletje ongeregeld ten strijde moeten trekken, of toch, één keer, in de kantine van Elsenborn.

Onze eenheid, 18 RA, was na dagen manoeuver eindelijk in de vertrouwde habitat beland, meer bepaald de kantine.  En omdat er zo weinig geslapen was de laatste dagen, kreeg de alcohol snel vat op de gelederen.

Even later kwam er een hoop Ardeense Jagers binnen, Walen dus.  Met op hun baret het bekende insigne: het everzwijn.

Iedereen keek naar iedereen, want we wisten dat het hoogstens een kwestie van tijd was vooraleer iemand het geluid van een knorrend varken zou imiteren, wat het startsein was voor een hoop heibel, gezwaai met vuisten en vliegende pinten.

 

En écht waar, ik zweer het, ik was verkouden en heb enkel mijn neus gesnoten....

 

 

Maar genoeg memoires in stemmig kaki. 

 

'Credit where credit is due': het leger heeft me wél leren lopen. 

 

Meestal weglopen van werk, toegegeven, maar toch...

 

 

******

 

 

Bij deze kan ik u melden, beste loopvrienden, dat ik me ingeschreven heb voor deelname aan de halve marathon van Kasterlee op 14 november. 

U was allemaal zo vriendelijk om me te waarschuwen voor het zware parcours, waarvan akte. 

Nu heb ik al een paar keer het hooggebergte van Kasterlee getrotseerd, meestal vloekend van ellende, dus geheel onbekend is het me niet.

 

We stellen de verwachtingen in die zin bij.

1 seconde beter dan Breda zal ruim volstaan...

 

De halve van Kasterlee hypothekeert wel de 10 mijl van Essen, 1 week later. 

Stel dat Kasterlee schade oplevert, dan kan het zijn dat het wedstrijdseizoen er meteen opzit.

 

We zullen wel zien.

18:54 Gepost door Mark in 20 Km door Brussel, Lopen | Permalink | Commentaren (4) |  Facebook |

Commentaren

Nu juist gelezen. Toffe herrineringen van mijn legerdienst in Brasschaat.

Gepost door: Frank Tibos | 04-02-12

Reageren op dit commentaar

Hey Frank, heb Uw belevenissen met smaak gelezen, ook ik diende (mooi woord hé) in 18 RA in Brasschaat maar dan in 1966 en ook ik kan daar boeken over schrijven ik was richter van het 4e stuk (inschietstuk)maar wij schoten altijd met scherp ook op de schietstand van Brasschaat en Elzenborn ook ATK vuur, de beste groeten Albert

Gepost door: sempels | 25-08-12

Reageren op dit commentaar

Van wie zijn die twee foto's . Die zijn genomen in 1986 - 1987 . Toen was ik daar gekaserneerd en die foto's zijn bij ons op de kamer genomen , op de onderste sta ikzelf nog op . Graag had ik meer informatie , mvg , Smout Geert

Gepost door: Smout Geert | 10-09-14

Reageren op dit commentaar

Geert. De twee bewuste foto's zijn genomen in kazerne Blairon, het opleidingscentrum nr 3 te Turnhout (december 1986). Ik weet niet wie ze genomen heeft; ik heb in elk geval naderhand exemplaren gekocht van die foto's. Na de opleiding werd deze groep jonge snaken verdeeld over verschillende eenheden om hun legerdienst verder te zetten. Een aantal belandden in Brasschaat, 18 RA. SM Mark Peeters, uw dienaar, was er één van.

Gepost door: Mark | 11-09-14

Reageren op dit commentaar

De commentaren zijn gesloten.